Moving In

André van Bergen, Claudia Härdi, Jeanne van Heeswijk, Job Koelewijn, Krijn de Koning, Jeroen Kooijmans, Bastienne Kramer, Federico d’Orazio, Femke Schaap, William Speakman
21 maart t/m 12 april 1998

Het project Moving In vond plaats in de Eco-wijk te Amsterdam van 21 maart t/m 12 april 1998. Het uitgangspunt was hier dat kunstenaars in en rondom acht net opgeleverde woningen zouden werken in relatie met de bewoners.
De bewoners van de appartementen van twee woonblokken op het voormalige GWL-terrein, nu Eco-wijk, zijn per brief gevraagd deel te nemen aan het project. Tien van hen bleken bereid om hun koopwoning er voor open te stellen. Tijdens de tentoonstelling zijn ze net verhuisd, of nog bezig, of aan het inrichten en klussen. Het project valt namelijk samen met de oplevering van de woonblokken. Aan de kunstenaars is gevraagd om in de woningen te werken. Het was aan hen en aan de bewoners waar en in welke appartementen ze opereerden. Niettemin waren alle kunstenaars werkzaam op een plek die veranderlijk was - zo niet hectisch, maar ook herkenbaar, basaal en concreet - waar het wonen aangaat, het je eigen maken van een plek.
Thema’s als identiteit en identificatie maakten daardoor op twee niveaus deel uit van het project; vanuit het perspectief van de bewoner en van de kunstenaar. In de appartementen en in de woonblokken waren beiden immers vreemdeling. Beiden onderzochten de ruimte om deze naar hun hand te zetten; een identiteit te geven.
Met Moving In was een risicovolle, op goodwill gebaseerde situatie gecreëerd, maar ook een kader voor de ontmoeting, voor het overleg en de samenwerking. Dit raamwerk is door het verloop van het project ingevuld. Als gevolg van de opzet lag er ook een gelaagdere betekenisstructuur besloten in het project. Zo werd het leven van anonieme privé-personen kenbaar gemaakt. Ook gaf het project gestalte aan de opvattingen die destijds in de kunst heersten: het verlangen om transgressief te werk te gaan; het belang van het relativeren van officiële kunstruimtes; de wens om het kunstwerk te laten samenvallen met het alledaagse; het kunstwerk in de ‘werkende wereld’ te plaatsen en daarin op te laten gaan.
Anderzijds fungeerde het project als een toetsing daarvan. In het project liepen kunst en werkelijkheid op zo’n manier door elkaar dat een aantal kwesties op scherp kwamen te staan. De bijdragen van de kunstenaars lagen aan een parcours dat door het publiek werd gevolgd in rondleidingen onder leiding van een gids.

Andre van Bergen

Andre van Bergen in de woning van Joke Mesdag, Robert van der Linde en hun kinderen.
De eigenaars zijn grafisch ontwerpers en besloten nauw samen te werken met André van Bergen bij het ontwerp van zijn boekje, een flip-over dat de video-registratie van zijn performance afbeeldt. In de performance voerde Van Bergen een huiselijke activiteit, het nemen van een douche, buiten uit. De videoregistratie was op het televisietoestel van de eigenaars te zien. De kaft van het flipover-boekje is gemaakt van een stukje van de handdoek die van Bergen in zijn performance heeft gebruikt.

Claudia Härdi

Claudia Härdi de woning van Rob Verhoog.
Claudia Härdi maakte modellen, (pas)poppen, die wat betreft functie, kleur en materiaal aansloten bij het decoratieplan van de eigenaar. Zij volgde constant de ontwikkeling van zijn ideeën en wanneer er veranderingen plaatsvonden in de inrichting van zijn appartement, gaf zij een reactie door haar modellen tegelijkertijd ter plekke te veranderen. Daardoor vormde haar installatie een continu veranderend kunstwerk.

Jeanne van Heeswijk

Jeanne van Heeswijks actie als cultureel consulent.
In deze rol stuurde zij aan honderddertien eigenaars in de woonblokken een pseudocommerciële mailing om snel te antwoorden, want zij had een beperkt aantal ‘welkomspakketten’. Bij de mensen die reageerden bezorgde zij de dozen persoonlijk thuis. Daar gaf ze in een privé-setting telkens een korte lezing over de inhoud van de welkomsdozen die gevuld waren met multiples, boekjes en cd’s van door haar gekozen kunstenaars. Zo liet zij de privé-situatie van de bewoners intact, terwijl zij toch tot hun huishoudens doordrong. Met de presentatie van de inhoud van de doos werd een tentoonstelling binnen een tentoonstelling gemaakt.

Job Koelewijn

Job Koelewijn op een van de buitengalerijen.
Job Koelewijn wilde de woonblokken een eigen geur geven als vorm van initiatie. Hij ontwikkelde een parfum dat door een sprinkler elke vijf minuten werd verspreid in een straal van vijf meter. Het parfum, met de titel ‘Architectuur no.1’, bleek zo doordringend te zijn dat alles de geur kreeg: de liften, de galerijen, de bouwlieden en de bewoners. Het is zeer waarschijnlijk dat daardoor de sprinkler de hele tijd door vandalisme werd uitgeschakeld.

Krijn de Koning

Krijn de Koning in de ruimte waar de groepsrondleidingen begonnen.
Krijn de Koning wilde graag werken in de centrale ingang van het gerenoveerde apartementengebouw tegenover de woonblokken. Deze toegangsruimte was ook in gebruik als cultureel platform en van hier uit begonnen de rondleidingen. De kniehoge muren versperren, benadrukken en openbaren de verschillende routes die in dit gebouw worden genomen. Dit werk gaat over de logistiek van de ruimte; hoe het wordt benaderd door de gebruikers.

Jeroen Kooijmans

Jeroen Kooijmans, Rozentuin, in de woning van Irene Dekker, Willem Bijl en hun kinderen.
Jeroen Kooijmans had lange gesprekken met deze eigenaars. Zij vormden een stel met kinderen uit eerdere relaties en hun doel was om allemaal samen te leven in een nieuw appartement. Kooijmans’ werk is gebaseerd op deze droom die werkelijkheid wordt. Zijn video-installatie, geprojecteerd op een rij doorzichtige gordijnen in de nog lege woning, was een voorbode van het nieuwe begin van de familie, maar liet ook de doornen zien.

Bastienne Kramer

Bastienne Kramer in de woning van Richel Bernsen.
Dit werk van Bastienne Kramer is typerend voor haar kritische ideeën. De leem waar de boomstronken van zijn gemaakt verwijst naar ecologische bouwprincipes. Tegelijkertijd functioneert iedere boomstam, dankzij ingebouwde neonverlichting, als een staande lamp. Op deze manier wordt het eco-bouwen niets meer dan een designkwestie.

Federico d’Orazio

Federico d’Orazio in de woning van Wya Hilarius, Jan Blekkenhorst en hun drie kinderen.
Het werk van Federico d’Orazio houdt verband met de decoratieplannen voor de kinderkamers. Daarvoor gebruikten de eigenaars verschillende diermotieven: bijen, vissen en adelaars. d’Orazio liet twee Toileteenden, bewerkte plastic flessen schoonmaakmiddelen in de vorm van een eend, zwemmen in hun douchecabine. Zo werd nog een speelkamer voor de kinderen gecreëerd. Waarbij een kritiek op de ambivalente taal van consumptiegoederen werd gegeven. De eenden verwijzen naar een milieuvriendelijke benadering, maar blijven nog steeds wel vervuilend.

Femke Schaap

Femke Schaap in de woning van Els Poser, Lucien van Warmerdam en hun twee kinderen.
Femke Schaap plaatste haar werk, gefilmde personages, in de gang van de woning. De personages waren op precieze uitsnedes van hun vormen geprojecteerd. Zo leek het dat tegen de deurpost geleund een stelletje stond te vrijen en dat binnen een geknielde man zijn oor tegen de grond hield. Ook hoorde je kloppende geluiden. Voorbeelden van overlast. Schaaps werk verwijst naar de verborgen geheimen en de verstikkende atmosfeer van hedendaagse, nieuw gebouwde appartementen.

William Speakman

William Speakman in de woning van Jetty Oostlander en haar tienerzoon.
De eigenares was opgelucht dat het ventilatiesysteem van de walmcabine van William Speakman buiten op haar balkon was. De cabine bevatte een verwarmingstoestel en een pan kokend water met een beetje diesel erin, dat een boter-achtige geur verspreidde. Dat de materialen die Speakman gebruikte leken op de materialen die in het woonblok waren gebruikt in de liften en de galerijen was toevallig. Zijn werk was meer gerelateerd aan de industriële omgeving rondom de woning en de psychologische relatie met het leven binnen.

terug naar boven