Welcome Stranger 1

Paul Goede, Bastienne Kramer, Q.S. Serafijn, Jeroen Snijders
18 september t/m 11 oktober 1992

Wandeling door het huis - Ineke Schwartz
De Stadhouderskade aan de rand van het centrum. De toegang tot nr. 112 bevindt zich tussen de etalages van een meubelzaak. Achter de anonieme, metalen voordeur lijkt zich eerder een bedrijf dan een woning te verschuilen. Eén naambordje trekt de aandacht: ‘Welcome Stranger’. Binnen voert een steile, donkere trap naar een smalle overloop. De woning lijkt verlaten maar gebruikt: alsof de bewoners net verhuisd zijn of er nog in moeten trekken. Door de openstaande deur naar de voorkamer is een merkwaardige enscenering zichtbaar. Twee grote objecten vechten om ruimte en aandacht. Een stalen frame waarover harde en stugge leren tongen hangen - boksring, zitmeubel of turntoestel - wordt belaagd door een kuip die uit het plafond komt zetten. Als een duikboot of spaceship bespiedt hij de ruimte door zijn patrijspoorten. Toch past deze vreemde uitstulping wel bij het interieur. Zijn keurig gestucte oppervlak maakt het acceptabel dat een deel van de zoldering wat lager hangt.
Het gladde, roze puntje kauwgom naast het frame op het midden van de muur trekt pas in tweede instantie de aandacht. Als een prikkende plug of een clownesk figuurtje met punthoed steekt het precies op mondhoogte uit de muur, glad als het leer van de tongen, maar ook soepel, kauw- en kneedbaar. Klein als het is, dringt het zijn absurde aanwezigheid op en mengt zich in de strijd. Vergeleken bij deze drukte is de achterkamer bijna leeg. De aandacht valt op de ruimte zelf en op het invallende zonlicht. In het midden van de muur tegenover de schouw priemt een stweede staafje kauwgom naar voren. Het contrast met de voorkamer is zo groot, dat de hele etage lijkt te kantelen in de richting van de straat.
Vanaf de overloop draait de trap naar de tweede verdieping. In de voorkamer blijkt de duikboot een zitkuil met kussens van glansstof en skai. De sfeer is uitgesproken huiselijk, een jong interieur, in frisse kleuren met een houten stelling vol kamerplanten voor het raam. Alleen de naamkaartjes bij de planten maken er tentoongestelde objecten van. Op de wand tegenover de schouw een derde kauwgomsculptuur, aangepast aan de sfeer: zachtgroen.
De zitkuil zit prettig en zacht, een intiem plekje voor twee. Via de ingebouwde wasmachinevensters zijn de schimmen van de bezoekers op de benedenverdieping zichtbaar. Vice versa gebeurt hetzelfde: wie in de kuil zit, weet zich van onderaf begluurd. Een openstaande deur geeft toegang tot een raamloze tussenkamer, verlicht met gloeilampen. In dit onwerkelijke, roze schijnsel staat een tweede plantenrek. Een lijst met lichtmetingen aan de muur maakt de bedoeling duidelijk: de planten zijn op lichtgevoeligheid geïnstalleerd. In de achterkamer loopt de reeks plantenrekken door. Op de vensterbank een fles Pokon en een plantenspuit. Bladeren, blank hout, zonlicht en het pleisterwerk op de muur (met op de bekende plek een witte kauwgomsculptuur) scheppen hier een impressionistische serresfeer.
(Verkorte versie van: Schwartz, I. (1993) Welcome Stranger, p.29,30)

De samenwerking in een breder kader - Kaulingfreks
In het eerste project werd het idee van samenwerken een apart discussiepunt. Kaulingfreks bespreekt deze discussie vanuit een schets van twee typen kunstenaar:
1) de kunstenaar die alleen door zijn innerlijk wordt gedicteerd zodat de materialiteit van het werk centraal komt te staan. De betekenis die het werk draagt wordt door niets anders gedragen dan door het ding zelf. De reflectie die het werk veroorzaakt, de referenties naar de wereld waardoor herkenning kan plaatsvinden, liggen in de dingmatigheid ervan. De vorm verwijst niet naar een betekenis, maar is zelf een betekenis.
2) de in de traditie ingebedde kunstenaar, die schatplichtig is aan een traditie van denkinhouden. Kunst wordt gezien als specifieke wijze van bewustwording. De verschillende wijzen van bewustwording van de werkelijkheid vormen het onderwerp van het artistieke onderzoek en de materialiteit van het kunstwerk wordt ondergeschikt gemaakt aan de denkactiviteit, die zowel door het intellect als door intuïtie gevoed wordt.
Vanuit het eerst geschetste type wordt samenwerking gezien als het laten communiceren van verschillende werken. De verschillende werken worden in relatie tot elkaar geplaatst, waardoor nieuwe betekenissen ontstaan en de afzonderlijke betekenissen van de werken veranderen. Voor het tweede type kunstenaar volgt de kunstzinnige activiteit uit de gedachtenvorming en ligt de nadruk op de discussie over de uitgangspunten. Eén van de kunstenaars had al bij aanvang een schets voor een beeld in de voorkamer gezet. Samenwerking leek uitgesloten en de presentatie van een gemeenschappelijk idee gedwarsboomd. Deze kunstenaar zou gezien kunnen worden als het eerstgenoemde type. Maar hij stelde dat een kunst werk niet volledig op zichzelf staat en altijd een relatie met zijn omgeving aangaat, de ruimte transformeert en erdoor wordt beïnvloed. Toch voelden de andere kunstenaars zich voor een voldongen feit gezet waardoor zij op zichzelf werden teruggeworpen. De tijd ging dringen waardoor er geen gezamelijk uitgangspunt ontwikkeld en gepreciseerd kon worden. Paul Goede koos voor de commentaarpositie; als kritiek op de ’materiaal-expressie’ van de ‘type1-kunstenaar’, produceerde hij spontaan een kauwgomsculptuur. Q.S. Serafijn zette zijn eigen onderzoek naar de betekenis van kunsthistorische referenties voor onze cultuur nu voort. In dit project refereerde hij aan het Impressionisme dat van belang is door de thematisering en uiteindelijke controle van het licht, dat wil zeggen een visie van vergaande rationalisering en beheersing van de natuur. Geheel onverwacht ging Goede’s commentaarpositie een alliantie aan met wat in eerste instantie een zuiver individuele opstelling leek, maar zich gaandeweg anders articuleerde. Hoewel het object een prominente rol speelt in het werk van Bastienne Kramer, draaien haar vaak arbeidsintensieve werkzaamheden niet om het kunstvoorwerp, maar om het reële en wereldse object. Er kwam een ander punt van belang in een groepspresentatie naar voren: de noodzaak risico’s te nemen. De tijd drong nog meer en er was nog maar één mogelijkheid: de relatie tussen onafhankelijke beelden letterlijk doorbreken. Zo ontstond de zitkuil, waarmee Kramer niet alleen de ruimtelijke ordening van het huis doorbrak, maar ook voor een doorbraak in de samenwerking zorgde. Het droogrek van Snijders werd ingebroken door de zitkuil van Kramer, terwijl de plantenrij van Serafijn dwars over Kramers beeld liep en Goedes sculpturen het blikveld van de andere beelden interrumpeerde.
(Verkorte versie van Kaulingfreks, R. (1993) Welcome Stranger, p.65-69)

Bastienne Kramer, Cocoon, 1992

Bastienne Kramer - Cocoon.


Onder: Jeroen Snijders, The box, 1992

Jeroen Snijders - The box.


Q.S. Serafijn, L’Impressionnisme des plantes, 1992

Q.S. Serafijn - L’Impressionnisme des plantes.


Paul Goede, Bang Bang, 1992

Paul Goede - Bang Bang.

terug naar boven